Deugniet
Ik was op weg naar de glasbak, op het pleintje waar ik vroeger vanuit het ouderlijk huis op uitkeek. “Godvergeten tyfuslijers!!!” schalde het vanaf één van de bankjes. Ik zapte in één keer vijftig jaar terug en schrok even dat hij er weer zat. Want telkens wanneer hij op het pleintje was gesignaleerd, zou hij spoedig aanbellen. Wanneer mijn vader aan het werk was, liet mijn moeder hem tegen alle voorschriften in weleens binnen voor een kop koffie. Ik vond het mega-interessant. Een kopie van mijn vader aan tafel: de bebloede knokkels in contrast met het witte overhemd en het strak achterovergekamde haar in de Brylcreem. Een dikke mist van pepermunt en aftershave vulde de kamer en probeerde de drankkegel tevergeefs te verhullen. De jongste broer van mijn vader ‘wilde niet deugen’ en ik begreep niet zo goed waarom. En ook niet wat daar mis mee was.
Pas toen mijn spannende oom midden in de nacht luid lallend door de brievenbus mijn vader en zijn nageslacht de bloedkanker wenste, de lege drankflessen door de ruiten werden gekegeld en mijn vader in de telefooncel op de hoek (in mijn beleving met gevaar voor eigen leven) de politie belde, vond ik het minder lollig worden. Geruime tijd schroefden we ’s avonds hardboard voor alle ramen; het portiekruitje was vervangen door gewapend glas. Mijn stoere verhaal was er inmiddels één van schaamte geworden. Toch bleef ik het lastig vinden dat mijn vader, werkmeester op de sociale werkplaats en de meest zorgzame en lieve man die ik ooit heb gekend, zijn eigen broer de deur wees en daarin volhardde. Zeker toen ik later zelf in de zorg ging werken. Als ik ernaar vroeg, werd mij verteld dat je vroeg of laat bedrogen uit zou komen, en verder sprak mijn vader er niet graag over. Via via hoorden we dat mijn oom inmiddels een leuke vrouw had gevonden, en zij in hem een ambitieus project. Het leek een tijdje de goede kant op te gaan, totdat het project met de noorderstorm vertrok en zijn weldoenster berooid en een illusie armer achterliet.
Toen mijn ouders verhuisden naar een seniorenwoning, kreeg déze ome geen verhuiskaartje. Wel zo rustig, al was hij al een tijdje niet meer gezien op het pleintje. Op zijn 72ste kwam er een einde aan zijn rusteloze bestaan. De gemeente regelde de begrafenis; mijn vader was nog net op tijd opgespoord om daarbij aanwezig te kunnen zijn. Ook dáár vond ik wat van: waarom nu wél?
Pas vorig jaar vonden we tussen de spulletjes van mijn overleden moeder wat tastbare herinneringen aan onze bijzondere oom: de woorden die door een geestelijk verzorger waren gesproken tijdens zijn begrafenis en een foto met een grote bouvier, zijn enige vriend. Ook een interview met de heer H. Vogel (46) in de Haagsche Courant uit augustus 1972. Een tranen trekkend verhaal, gladde praat en grote woorden. Iedereen met een béétje praktijkervaring in de maatschappelijke opvang zou direct op zijn hoede zijn: je werd genaaid waar je bij stond. Mijn vader had ervoor gekozen in elk geval niet zijn éigen ruiten in te smijten. Geef hem eens ongelijk.
